Desolate Place
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Categorieën
....................
 
 
 
 
 
 

 

Meer van Beloved Daughter:

    Afgesloten Hof

    Beautiful Place

    Beloved Court

    Beloved Daughter

    Beloved Garden

    Beloved Place

    Beloved Woman

    Bride of Christ

    Daughter of Christ

    Deserted Place

    Desolate Place

    God's garden

    Holy Place

    Hooglied

    Lonely PLace

    Lovely Garden

    Oase

    Resting Place

    Rose of Love

    Prince of Peace

    Schuilgrot

    Tuin van God

    Toevluchtsoord

    Vreugdebron

    Vredevorst

 

   

  

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  
 
 
 
 
 
 Vintage
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 Met zijn vlerken beschermt
en onder zijn vleugelen
vindt gij een toevlucht;
 
Psalm 91:4
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Laatste reacties
 
Een lied uit de diepte
 
 
Uit de diepten roep ik tot U, o HERE.
2 Here, hoor naar mijn stem;
laten uw oren opmerkende zijn
op mijn luide smekingen.
3 Als Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt,
Here, wie zal bestaan?
4 Maar bij U is vergeving,
opdat Gij gevreesd wordt.
5 Ik verwacht de HERE,
mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord;
6 mijn ziel wacht op de Here,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
7 Israël hope op de HERE,
want bij de HERE is goedertierenheid,
bij Hem is veel verlossing;
8 Hij zelf zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.
 
 
Lees meer...
 
Gered uit doodsgevaar
 
 
1 Ik heb de HERE lief,
want Hij hoort mijn stem, mijn smekingen.
2 Want Hij heeft zijn oor tot mij geneigd,
daarom zal ik mijn leven lang (tot Hem) roepen.
3 Banden van de dood hadden mij omvangen,
angsten van het dodenrijk hadden mij aangegrepen,
ik ondervond benauwdheid en smart.
4 Maar ik riep de naam des HEREN aan:
Ach HERE, red mijn leven.
5 Genadig is de HERE en rechtvaardig,
onze God is een ontfermer.
6 De HERE bewaart de eenvoudigen;
ik was verzwakt, maar Hij heeft mij verlost.
7 Keer weder, mijn ziel, tot uw rust,
omdat de HERE u heeft welgedaan.
8 Want Gij hebt mijn leven van de dood gered,
mijn oog van tranen, mijn voet van aanstoot.
9 Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEREN
in de landen der levenden.
10 Ik heb geloofd, zelfs toen ik sprak:
Ik ben zeer verdrukt;
11 toen ik in mijn angst zeide:
Alle mensen zijn leugenachtig.
 

12 Hoe zal ik de HERE vergelden
al zijn weldaden jegens mij?
13 De beker der verlossing zal ik opheffen,
ik zal de naam des HEREN aanroepen.
14 Mijn geloften zal ik de HERE betalen,
in de tegenwoordigheid van al zijn volk.
15 Kostbaar is in de ogen des HEREN
de dood van zijn gunstgenoten.
16 Ach HERE, waarlijk, ik ben uw knecht,
ik ben uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd:
Gij hebt mijn banden losgemaakt.
17 Ik zal U lofoffer brengen
en de naam des HEREN aanroepen.
18 Mijn geloften zal ik de HERE betalen
in de tegenwoordigheid van al zijn volk,
19 in de voorhoven van het huis des HEREN
in uw midden, o Jeruzalem. Halleluja.
 
 
Lees meer...   (2 reacties)
 
God redt uit alle nood
 
 
1 Looft de HERE, want Hij is goed,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
2 Dat de verlosten des HEREN zo spreken,
die Hij uit de macht van de tegenstander heeft verlost
3 en uit de landen heeft verzameld,
van het oosten en van het westen,
van het noorden en van de zee.
 

4 Er waren er, die dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg,
een stad ter woning vonden zij niet;
5 hongerig waren zij, ja dorstig,
hun ziel versmachtte in hen.
6 Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid,
en Hij redde hen uit hun angsten;
7 Hij deed hen treden op een effen weg
om te gaan naar een stad ter woning.
8 Dat zij de HERE loven om zijn goedertierenheid
en om zijn wonderen aan de mensenkinderen,
9 omdat Hij de dorstende ziel heeft gelaafd
en de hongerende ziel met het goede vervuld.
 

10 Er waren er, die in donkerheid en diepe duisternis zaten,
gebonden in ellende en ijzer.
11 Omdat zij de woorden Gods hadden weerstreefd
en de raad des Allerhoogsten versmaad,
12 had Hij hun hart door moeite vernederd;
zij struikelden, en er was geen helper.
13 Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid,
en Hij verloste hen uit hun angsten;
14 Hij voerde hen uit donkerheid en diepe duisternis
en verscheurde hun banden.
15 Dat zij de HERE loven om zijn goedertierenheid
en om zijn wonderen aan de mensenkinderen,
16 omdat Hij koperen deuren heeft verbroken
en ijzeren grendels verbrijzeld.
 

17 Er waren dwazen, die wegens hun zondige wandel
en wegens hun ongerechtigheden gepijnigd werden;
18 hun ziel gruwde van elke spijze,
zij waren de poorten des doods nabij.
19 Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid,
en Hij verloste hen uit hun angsten;
20 Hij zond zijn woord, Hij genas hen
en deed hen aan de groeve ontkomen.
21 Dat zij de HERE loven om zijn goedertierenheid
en om zijn wonderen aan de mensenkinderen;
22 dat zij lofoffers offeren
en zijn werken met gejubel vertellen.
 

23 Er waren er, die met schepen de zee bevoeren,
die handel dreven op de grote wateren.
24 Zij zagen de werken des HEREN
en zijn wonderen in de diepte.
25 Hij sprak en deed een stormwind opsteken,
die haar golven omhoog hief;
26 zij rezen ten hemel, zonken neer in de waterdiepten,
hun ziel verging van ellende;
27 zij tuimelden en wankelden als een beschonkene,
al hun wijsheid werd verslonden.
28 Toen riepen zij tot de HERE in hun benauwdheid,
en Hij voerde hen uit hun angsten;
29 Hij maakte de storm tot een zacht suizen,
zodat de golven stil werden.
30 Zij verheugden zich, omdat die tot rust kwamen,
en Hij leidde hen naar de haven van hun begeerte.
31 Dat zij de HERE loven om zijn goedertierenheid
en om zijn wonderen aan de mensenkinderen;
32 dat zij Hem verhogen in de gemeente des volks,
en Hem loven in de raad der oudsten.
 

33 Hij maakt stromen tot een woestijn
en waterbronnen tot een dorstig land;
34 vruchtbaar land tot zoute grond
wegens de boosheid van wie daar wonen;
35 Hij maakt de woestijn tot een waterpoel
en dorstige grond tot waterbronnen.
36 Hongerigen doet Hij daar wonen,
zij stichten er een stad ter woning,
37 zij bezaaien akkers en planten wijngaarden,
die vrucht als opbrengst opleveren.
38 Hij zegent hen, zodat zij zeer talrijk worden,
en hun vee laat Hij niet verminderen.
39 Dan verminderen zij en zinken weg
door de druk van rampspoed en kommer.
40 Over de edelen giet Hij schande uit,
Hij doet hen ronddolen in ongebaande wildernis.
41 Maar de arme beschermt Hij tegen verdrukking
en maakt geslachten talrijk als een kudde.
42 De oprechten zien het en verheugen zich,
alle onrecht sluit de mond.
43 Wie is wijs? Hij lette op deze dingen,
laat men acht slaan op de gunstbewijzen des HEREN.
 
 
Lees meer...   (4 reacties)
 
 
 
 
Godsvertrouwen in gevaren
 
 
1 Wie in de schuilplats des Allerhoogsten is gezeten,
vernacht in de schaduw des Almachtigen.
2 Ik zeg tot de HERE: Mijn toevlucht en mijn vesting,
mijn God, op wie ik vertrouw.
 

3 Want Hij is het, die u redt van de strik des vogelvangers,
van de verderfelijke pest.
4 Met zijn vlerken beschermt Hij u,
en onder zijn vleugelen vindt gij een toevlucht;
zijn trouw is schild en pantser.
5 Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht,
voor de pijl, die des daags vliegt;
6 voor de pest, die in het duister rondwaart,
voor het verderf, dat op de middag vernielt.
7 Al vallen er duizend aan uw zijde,
en tienduizend aan uw rechterhand,
tot u zal het niet genaken;
8 slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen,
en de vergelding aan de goddelozen zien.
9 Want Gij, o HERE, zijt mijn toevlucht.
 

De Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld;
10 geen onheil zal u treffen,
en geen plaag zal uw tent naderen;
11 want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden,
dat zij u behoeden op al uw wegen;
12 op de handen zullen zij u dragen,
opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.
13 Op leeuw en adder zult gij treden,
jonge leeuw en slang zult gij vertrappen.
 

14 Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden;
Ik zal hem beschutten, omdat hij mijn naam kent.
15 Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden;
Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn,
Ik zal hem uitredden en tot ere brengen.
16 Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen,
en Ik zal hem mijn heil doen zien.
 
 
Lees meer...
 
 
 
Bede in doodsgevaar
 
2 Verlos mij, o God, want het water
is gekomen tot aan de lippen;
3 ik ben verzonken in bodemloos slijk,
waar ik niet kan staan;
ik ben gekomen in diepe wateren,
een vloed overstroomt mij.
4 Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees,
mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God.
5 Talrijker dan de haren van mijn hoofd
zijn zij die mij zonder oorzaak haten;
machtig zijn zij die mij willen verdelgen, mijn valse vijanden;
wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven.
6 O God, Gij kent mijn verdwaasdheid,
mijn schuldige daden zijn voor U niet verborgen.
7 Laten om mij niet beschaamd worden wie U verwachten,
Here HERE der heerscharen;
laten om mij niet schaamrood worden wie U zoeken,
o God van Israël.
8 Want om Uwentwil draag ik smaad,
bedekt schaamte mijn gelaat.
9 Ik ben een vreemde geworden voor mijn broeders,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder;
10 want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd,
en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder.
11 Ik weende onder het vasten van mijn ziel,
maar het werd mij tot diepe smaad;
12 ik maakte een rouwgewaad tot mijn kleed,
maar ik werd hun tot een spreekwoord.
13 Wie in de poort zitten, praten over mij,
– en een spotlied van drinkers.
 

14 Maar mijn gebed is tot U, HERE,
ten tijde des welbehagens;
o God, antwoord mij naar uw grote goedertierenheid
met uw trouwe hulp.
15 Red mij uit het slijk, opdat ik niet verzinke,
laat mij gered worden van mijn haters,
en uit de diepe wateren.
16 Laat de watervloed mij niet overstromen,
noch de diepte mij verslinden,
noch de put zijn mond boven mij toesluiten.
17 Antwoord mij, o HERE, want rijk is uw goedertierenheid,
wend U tot mij naar uw grote barmhartigheid,
18 verberg uw aangezicht niet voor uw knecht,
want het is mij bang te moede; antwoord mij haastelijk.
19 Nader tot mijn ziel, bevrijd haar,
verlos mij om mijner vijanden wil.
20 Gij, Gij kent mijn smaad, mijn schaamte en mijn schande;
allen die mij benauwen, staan vóór U.
21 De smaad heeft mij het hart gebroken,
en ik ben verzwakt.
Ik wachtte op een teken van medelijden, maar tevergeefs,
op troosters, maar ik vond hen niet.
22 Ja, zij gaven mij gif tot spijze,
en lieten mij in mijn dorst azijn drinken.
23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik,
en hun genoten tot een val.
24 Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien,
doe hun lendenen bestendig wankelen;
25 stort over hen uw gramschap uit,
en de gloed van uw toorn achterhale hen.
26 Hun kamp worde tot woestenij,
in hun tenten zij geen bewoner.
27 Want wie Gij hebt geslagen, vervolgen zij,
zij doen verhalen over de smart der door U gewonden.
28 Voeg schuld bij hun schuld,
zodat zij niet komen tot uw rechtvaardiging.
29 Laten zij uit het boek des levens worden uitgedelgd,
met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven.
30 Maar ik ben ellendig en in smart,
uw heil, o God, bescherme mij.
 

31 Ik zal de naam van God prijzen met een lied,
Hem verheerlijken met een lofzang;
32 dat zal de HERE meer behagen dan een rund,
dan een stier met horens en hoeven.
33 De ootmoedigen zullen het zien, zij zullen zich verheugen;
gij, die God zoekt, uw hart leve op.
34 Want de HERE hoort naar de armen,
en zijn gevangenen veracht Hij niet.
35 Dat hemel en aarde Hem loven,
de zeeën en al wat daarin wemelt.
36 Want God zal Sion verlossen
en de steden van Juda bouwen,
opdat zij daar wonen en het bezitten;
37 het kroost van zijn knechten zal het beërven,
en wie zijn naam liefhebben, zullen daarin wonen.
Lees meer...
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl